Homepage 'de Luikerwaal'

  Het wonder van de
toverlantaarn
'Een toverlantaarn? Is dat zo'n lamp waar Aladdin over wreef wanneer hij een wens wilde doen?' Jonge mensen trekken soms een verbaasd, vragend gezicht wanneer zij het woord 'toverlantaarn' horen.  Ouderen weten meestal meteen wat bedoeld wordt. Vaak roept bij hen het woord  beelden op uit een ver, romantisch verleden. Enkelen kunnen zich misschien nog herinneren hoe Vader, ter gelegenheid van een verjaardagspartijtje of een Sint-Nicolaasavond, met een plechtig gezicht het apparaat van zolder haalde om zijn opgewonden kinderschaar een onvergetelijke avond te bezorgen. Het was toch zonder meer een wonder dat zij daar te zien kregen: op een gewoon wit beddenlaken toverde vader zomaar de vreemdste figuren en personages tevoorschijn. Piet de Smeerpoets bijvoorbeeld, het jongetje dat zich nooit wilde wassen, of Flip de Schommelaar die aan tafel net zolang op zijn stoel zat te wippen tot hij achterover viel en het tafelkleed met het gehele servies over zich heen trok. Ja, plezier maken was prima maar er moest natuurlijk ook nog een lering uit te trekken zijn. Daarbij ging men niet altijd even fijngevoelig te werk. Voor de slechte gewoonte van de kleine nagelbijtster had men een doeltreffende, maar ook bijzonder meedogenloze oplossing in petto: men knipte gewoon haar vingertjes eraf!
 
Zeer eenvoudige toverlantaarn, zoals Kircher waarschijnlijk gebruikte. Net als bij veel andere grote uitvindingen, zoals bijvoorbeeld de boekdrukkunst, is het niet precies bekend wie de toverlantaarn  heeft uitgevonden. In een oud geschrift van een Duitse Jezuïeten pater en wetenschapper, Athanasius Kircher, wordt de 'Laterna Magica' al beschreven. In de uitgave van 1646 van zijn werk 'Ars magna lucis et umbrae' (De grote kunst van licht en schaduw) werd een primitief projectiesysteem beschreven, waarbij het door een spiegel weerkaatste zonlicht door een lens op een scherm wordt geprojecteerd. De tweede editie, gepubliceerd in 1671, bevatte de eerste tekeningen van een toverlantaarn. 

Er gaat een hardnekkig verhaal over deze geleerde priester. Het is onwaarschijnlijk dat het op waarheid berust, maar het is een mooi verhaal: De pater had een praktische toepassing voor het apparaat bedacht. Wanneer hij 's avonds een bezoek bracht aan de afvallige gelovigen, hield hij onder zijn pij een eenvoudige toverlantaarn verborgen. Als praten niet meer hielp ging hij over tot hardere maatregelen. Op het glas van zijn lantaarn had hij een realistische afbeelding van de dood geschilderd die hij van buitenaf op de perkamenten ramen van hun eenvoudige boerenwoningen projecteerde. Dat had succes! De daaropvolgende zondagmorgen zat zijn kerk weer stampvol.
 
Athanasius Kircher was zeker niet de eerste die een toverlantaarn ontwierp. Rond de tijd dat hij zijn eerste tekeningen publiceerde, hadden anderen, zoals onze 'eigen' Christiaan Huygens, de toverlantaarn al beschreven en werd hij waarschijnlijk al tamelijk veelvuldig gebruikt. In de boeken van Huygens vinden wij de eerste beschrijving van een complete, werkende toverlantaarn en in 1659 vervaardigde hij al een projectielantaarn met een drievoudige lens. Om die reden wordt Christiaan Huygens vandaag de dag beschouwd als de meest waarschijnlijke uitvinder van de toverlantaarn.

Christiaan was echter niet bepaald trots op zijn uitvinding. Hij schaamde zich er voor toen bleek dat allerlei bedriegers zijn instrument gingen gebruiken om er mensen schrik mee aan te jagen. Zijn vader, die aan het hof van de Franse Zonnekoning Lodewijk XIV werkte, bestelde er eens één op verzoek van de koning. Christiaan gaf hieraan geen gehoor omdat hij bang was de familie Huygens belachelijk te maken. (Lees ook: Christiaan Huygens, de echte uitvinder.)
 
Er zijn meer Nederlanders die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de ontwikkeling van de toverlantaarn. De Leidse hoogleraar Willem Jacob van 's Gravesande en de instrumentmaker Jan van Musschenbroek hebben het apparaat sterk verbeterd. (Lees ook: De oudste toverlantaarn ter wereld.) Toen werd ook voor het eerst gebruik gemaakt van vierpits olielampen. Voor die tijd werd meestal een kaars als lichtbron gebruikt. De lantaarn en lantaarnplaten van Van 's Gravesande worden bewaard in het Museum Boerhaave in Leiden.
 

Tot de tweede helft van de achttiende eeuw werd de toverlantaarn vooral gebruikt door wetenschappers maar al gauw zagen allerlei andere lieden er een goede broodwinning in. Luikerwalen, mensen afkomstig uit Luik in Wallonië, sjouwden stad en land af voor het geven van voorstellingen op kermissen, in kroegen en op jaarmarkten. De regering had hen verboden nog langer door het land te trekken met het dodelijke gif waarmee zij ratten plachten te bestrijden en dus zochten zij een andere nering. Het projectiegerei dat zij op hun rug meedroegen hadden zij meestal zelf vervaardigd.

Het is niet waarschijnlijk dat de wanstaltige persoon op nevenstaande anonieme prent uit 1720 representatief is voor het uiterlijk van de luikerwalen. Lantaarnisten en ook straatventers in het algemeen werden in die tijd meestal karikaturaal afgebeeld.
Na 1800 werden de voorstellingen steeds uitgebreider en imponerender. De lantaarnist ging nu niet langer naar de mensen toe; zij kwamen naar hem toe om de voorstellingen bij te wonen. Hoewel de verlichting in die tijd al sterk verbeterd was, was zij toch nog zo zwak dat de lantaarnist zijn lantaarn erg dicht bij het doek moest plaatsen. Om die reden werd de lantaarn meestal achter het doek geplaatst. Om het doek doorschijnender te maken werd het voor en tijdens de voorstelling voortdurend nat gespoten met een koperen glasspuit. Zo'n spuit werd gewoonlijk door de dienstbode gebruikt voor het wassen van de ramen. De opstelling van de lantaarn achter het doek had nog een ander voordeel: het publiek kon nu niet zien wat zich achter het doek afspeelde en dat maakte het allemaal nog veel spannender er geloofwaardiger.
Zeer beroemd werden de voorstellingen van de Belg Robertson die in 1763 werd geboren als Etienne-Gaspard Robert. Zijn 'fantasmagorieën' waarin geesten en spoken een hoofdrol vervulden, gingen gepaard met allerlei spectaculaire effecten. Rookwolken, bliksemflitsen, donderende geluiden en rammelende kettingen joegen de argeloze toeschouwer de stuipen op het lijf. Later werd ook gebruik gemaakt van twee of meer aan elkaar gekoppelde lantaarns, waarmee men verschillende beelden in elkaar kon laten overgaan, of over elkaar kon laten vallen. Bij sommige voorstellingen werden soms wel acht toverlantaarns gebruikt.
Nadat een Londense onderneming, Carpenter & Westley, in 1820 begon met het opzetten van een echte toverlantaarn- en lantaarnplaatjes-industrie kwam de toverlantaarn onder de gewone man. De firma handhaafde, onder een aantal achtereenvolgende bedrijfsleidingen, een buitengewone productiekwaliteit gedurende een groot deel van de 19e eeuw. Carpenter was de eerste die fabricageprocessen gebruikte voor de massaproductie van lantaarnplaten. Hij hanteerde een methode om gegraveerde zwarte omtrekken op glas over te brengen, waardoor het daarop volgende inkleuren met de hand gemakkelijker werd. Tegenwoordig zijn de platen van Carpenter & Westley zeer gezocht; de overvloeier-sets en andere handgeschilderde platen zijn van de allerfijnste kwaliteit.
Er begon een ware rage in het houden van 'lezingen met lichtbeelden'. Nieuwe, veel sterkere lichtbronnen dan voorheen maakten het mogelijk een groot en helder beeld te projecteren in grote zalen en er kon ook vanachter uit de ruimte geprojecteerd worden. De toepassing van kalklicht betekende wat de weergave betreft een enorme verbetering. Het intense witte licht werd geproduceerd door het verhitten van een stukje kalk, meestal met een vlam van gemengde zuurstof en waterstof gassen. Helaas waren de ongelukken die erdoor ontstonden soms rampzalig.
Naast zijn functie in het amusement werd de toverlantaarn voornamelijk aangewend 'tot lering van de mens'. Daarbij konden de zaken wel eens behoorlijk uit de hand lopen. In het 'Nederlandsch Magazijn' no. 1 uit 1863 kunnen we lezen dat de ontdekkingsreiziger en missionaris David Livingstone de plaatselijke bevolking lantaarnplaten liet zien van 'de wonderen van de schepping', maar bij gelegenheid ook het zwarte volk der Balonda's hevig geschrokken het oerwoud in joeg toen hij een lantaarnplaatje vertoonde met daarop een levensgrote Abraham die met het mes in de hand klaar stond om zijn zoon Izaäk de doden.
(zie ook: De Bijbel)
Tegen het einde van de negentiende eeuw kon men de toverlantaarns met de bijbehorende lantaarnplaatjes vinden in alle winkels voor natuurkundige werktuigen. Een van de belangrijkste verkooppunten in ons land was de Amsterdamse firma Merkelbach en Co., later een bekende speelgoedwinkel in de Kalverstraat. De familie heeft nog een brief van het koninklijk huis in bezit waaruit blijkt dat ook de kleine Wilhelmina graag en veel met haar toverlantaarn speelde. De heer Merkelbach wordt daarin dringend verzocht zich aan het paleis te vervoegen met een groot aantal toverlantaarnplaatjes teneinde deze om te ruilen voor de lantaarnglazen waar Hare Koninklijke Hoogheid finaal op uitgekeken was. Over een geldelijke vergoeding werd natuurlijk niet gesproken. De eer moest maar voldoende zijn. (Lees hierover alles in: Nieuwe plaatjes voor het prinsesje.)
De toverlantaarn begon nu steeds meer door te dringen tot de huiskamer. De modellen die hier voor verkocht werden waren veel kleiner als hun serieuze broers. Voor de verlichting werd meestal gebruik gemaakt van een eenvoudig olielampje of een kaars. Een schoorsteentje bovenop de lantaarn zorgde voor een goede trek en de afvoer van verbrandingsgassen. Populair was ook de 'lampascoop', een toverlantaarn met een rond gat in de bodem, die je over een gewone tafel-olielamp kon plaatsen. Zo'n lamp was in de meeste huishoudens toch al aanwezig en dat spaarde dus mooi een extra lichtbron uit. Om te voorkomen dat de lantaarn door het gewicht van de lens naar voren zou gaan hangen werd het deksel in de achterwand verzwaard met zand. De toverlantaarns verschilden erg in uiterlijk. De meest eenvoudige waren gemaakt van blik en kostten nog geen gulden. Voor mensen die meer te besteden hadden waren er ook duurdere. Die waren gemaakt van fraai mahoniehout of waren ingelegd met handbeschilderde tegels.
De lantaarns werden verkocht met bijbehorende glasplaatjes. Op de glazen stroken waren meestal vier of vijf ronde afbeeldingen afgedrukt, vaak van sprookjesfiguren of 'uit het leven gegrepen onderwerpen en typen'. De plaatjes werden meestal verkocht in doosjes met twaalf stuks en kostten soms een paar gulden maar ook wel een paar honderd. De goedkoopste waren voorzien van een soort plakplaatje. Deze eenvoudige plaatjes werden aangeduid met een fraaie, maar beslist niet eenvoudige naam: decalcomanie. De duurste waren met de hand geschilderd en gevat in een houten lijstje. Daar waren echte kunststukjes bij.
Allerlei trucjes werden uitgehaald om de beelden te kunnen laten bewegen. Men bedacht vernuftige mechaniekjes met draaibare glasplaten, snaren, tandwielen en hefboompjes. Zo was er bijvoorbeeld de streng kijkende schoolmeester die vervaarlijk met zijn ogen rolde en met een rietje zwaaide. Die werd natuurlijk ingezet wanneer een schare jonge toeschouwers zich eens wat al te luidruchtig gedroeg. Er waren kopjeduikelende clowns en gewichtheffende reuzen en uit het circus. Een treintje dat puffend en steunend over een lange spoorbrug reed. Een kerkje dat langzaam door de neerdwarrelende sneeuwvlokken bedekt werd. En een windmolen in een echt Hollands landschap. De wieken staan stil. "Zullen wij de wieken eens laten draaien, jongens?" vraagt vader zijn jeugdig publiek en terwijl de kinderen uit alle macht in de richting van het scherm blazen zetten de wieken zich langzaam in beweging.
Prachtige caleidoscopische kleureffecten werden bereikt door twee met de hand beschilderde glascirkels in tegenovergestelde richting ten opzichte van elkaar te verdraaien. Deze 'chromatropen' kwamen het best tot hun recht wanneer op de achtergrond het getingel van een oude speeldoos klonk. Natuurlijk had de lantaarnist een grote hoeveelheid 'effecten' tot zijn beschikking: ratels, toeters, belletjes en, misschien wel het belangrijkste, zijn stem.    Een mechanische lantaarnplaat.
Reclame-platen voor de trottoirlantaarn. Een handige reclamejongen kwam op het idee een 'trottoir-lantaarn' te vervaardigen. Door de bijzonder grote brandpuntsafstand van de lens was het mogelijk reclameteksten te projecteren op de trottoirs of op een blinde muur aan de overzijde van de straat. De politie moest al snel ingrijpen. Het verkeer werd er volledig door ontwricht.

In 1889 berichtte het Optical Magic Lantern Journal dat op de meeste grote stations reclameplaatjes werden vertoond met een toverlantaarn. De plaatjes wisselden automatisch iedere dertig seconden, dag en nacht. Het uurwerk dat daar voor zorgde moest één keer per week door het spoorwegpersoneel worden opgewonden.
Aan het grote succes van de toverlantaarn kwam abrupt een einde toen omstreeks 1910 de cinematografie, de bewegende film, zijn intrede deed. Lantaarnisten die kort daarvoor nog als een soort magiërs werden aanbeden, werden nu uitgejoeld en weggejaagd wanneer zij het waagden nog op te treden met hun stilstaande beelden.
De glasplaat als beelddrager werd verdrongen door de film en later weer door de beeldband, CD-rom  en DVD. Kinderen stopten achteloos een 'videootje' in de recorder. We hebben nu computers met 'Multimedia'. Maar toch....... ook in deze tijd worden er nog wel eens voorstellingen met een oude toverlantaarn gegeven en het is verbazingwekkend te zien hoe kinderen ook nu nog geboeid worden door het grote wonder van de magische lantaarn, de Laterna Magica.

 
  English version......  Wat is er nieuw op de site?  ©1999-2016 'de Luikerwaal'
Alle rechten voorbehouden.
Bijgewerkt tot 01-08-2016.
Naar bovenrand pagina......