Homepage 'de Luikerwaal' De toverlantaarn in Nederland.
Deze tekst maakt deel uit van het artikel 'De toverlantaarn in Nederland' van Daan Buddingh, verschenen in Het Photohistorisch Tijdschrift nummer 2, 2007.
 
Er is tot nu toe weinig onderzoek gedaan naar het gebruik van de toverlantaarn in Nederland. Zowel in de kinderliteratuur uit de 19e eeuw als in beschrijvingen van bijvoorbeeld de kermis komt de toverlantaarn meestal slechts zijdelings ter sprake. Marieke de Natris (Kèkt nâh – een onderzoek naar het gebruik van de toverlantaarn in Nederland in de context van visuele media, doctoraal scriptie Leiden - 2002) en Vera Tietjens-Schuurman (Van toverlantaarn tot kinematograaf  - Rottevalle 1979) zijn eigenlijk de enigen die hier uitgebreid over gepubliceerd hebben.
 

Grote rol voor Nederlanders


Diverse Nederlanders speelden in de 17e en 18e eeuw een grote rol zowel bij de ontwikkeling van de toverlantaarn, als bij het ontwerpen van (beweegbare) lantaarnplaten. Dat geldt in het bijzonder voor de grote wis- en natuurkundige Christiaan Huygens, een van de uitvinders van de laterna magica. Vanaf 1653 experimenteerde Huygens met lenzen, microscopen en telescopen. In 1659 beschreef hij de werking van zijn toverlantaarn met drie lenzen, bedoeld om kinderen thuis te vermaken. Huygens liep niet met deze uitvinding te koop. Toen er aan het Franse hof belangstelling was voor een voorstelling met de lantaarn van Huygens schreef hij: “Ik schaam mij omdat op die manier zal uitkomen dat zij van mij komt”.

Een vriend van Huygens, de Hollandse Jezuïet Andreas Taquet, zou omstreeks die tijd de eerste ‘magische’ voorstelling voor een publiek hebben gegeven.

Andere Nederlandse voortrekkers op het terrein van de toverlantaarn waren de gebroeders  P. en J. van Musschenbroek en W.J. ’s Gravesande. Jan van Musschenbroek in Leiden bouwde rond 1720 een manshoge toverlantaarn voor de Leidse hoogleraar natuurkunde Willem Jacob ‘s Gravesande. Enkele jaren later maakte Jan van Musschenbroek beweegbare platen die in 1731 door zijn broer Petrus werden vertoond. Petrus van Musschenbroek beschreef in 1739 verschillende mechanisch beweegbare lantaarnplaten. Met behulp van draai-, trek- of hefboomtechnieken konden twee glazen plaatjes voor elkaar bewegen (wieken van een molen gaan draaien, heer neemt zijn hoed af, koe neemt hond op de horens, schoenmaker beweegt zijn hamer).
  

Bloeitijd

De bloeitijd van de toverlantaarn loopt, ook in Nederland, van ongeveer 1840 tot circa 1900. Dat is vooral te danken aan een aantal technische  verbeteringen: betere lichtbronnen (kalklicht, paraffinelamp, gaslicht, uiteindelijk elektrisch licht), betere objectieven, productie van grote hoeveelheden platen, fotopositieven op glas. Met grote lantaarns, vaak met twee of drie lenzen boven elkaar zijn voorstellingen voor honderden personen tegelijk mogelijk. Door in de lantaarn meer lenzen te gebruiken kon men beelden in elkaar laten overvloeien, zoals bij een serie chromatropen of kleurenwisselaars.

Vanaf het midden van de 19e eeuw zijn in Nederland tienduizenden kinderlantaarns verkocht, vooral die van de Duitse fabrikanten Ernst Plank en de Gebroeders Bing. Daarnaast ook de Duitse speelgoedlantaarns van Falk, Carette en Hoffmann en de Franse lantaarns van Lapierre. De prijzen variëren van enkele guldens tot enkele tientallen guldens. Bij deze kinderlantaarns horen smalle lange glazen plaatjes van 2-6 cm breed. Daarop staan sprookjes, karikaturen, panorama’s, zeegezichten. (vaak vier plaatjes naast elkaar tegen een zwarte achtergrond.

Ook de plaatjes komen veelal uit Duitsland (Bing, Plank, Falk, Carette, Roose, Ross, Jenisch). De grotere 8,3 x 8,3 cm platen komen of uit Duitsland (Liesegang, Unger en Hoffmann), of uit Engeland (Primus, Butcher & Sons, Newton & Co,.Carpenter & Wesley, Hughes, York & Son, Bamforth en anderen).
In Duitsland maakt men ook kleine beweegbare plaatjes, maar de meerderheid van de grote beweegbare platen komt uit Engeland. Dat geldt ook voor de fotopositieven op glas en vooral voor de chromatropen of kleurenwisselaars: ronde glasplaten in houten vatting die –tegen elkaar in draaiend- caleidoscopische vuurwerkeffecten opleveren.

In de jaren zeventig van de 19e eeuw verschijnen uitvoerige handleidingen voor het gebruik van de toverlantaarn. Een bekend voorbeeld is ‘De tooverlantaarn, de wijze van samenstelling en gebruik alsmede de kunst om een geest op te wekken door een spook’ (vertaling van 'The Magic Lantern. How to buy and how to use it; also How to raise a Ghost, by 'a mere Phantom'. Londen, Houlson and Wright, 1870). In later jaren publiceerde C.A.P.I. een hele reeks veelomvattende handleidingen en catalogi.

Huiskamervoorstellingen

Tijdens kinderpartijtjes worden voorstellingen gegeven door een lid van de familie of door een ingehuurde lantaarnist.

G. van Sandwijk beschrijft in het “Prentenmagazijn voor de jeugd”, Jaargang no. 4, 1844, een kindervoorstelling in huiselijke kring: een oom heeft een toverlantaarn meegebracht. Hij projecteert ook de plaatjes. Deze lantaarnist toont een vliegende steenuil, waarbij het vliegen wordt nagebootst door het plaatje langs de lens te bewegen; daarna een harlekijn op een koord; hij vervolgt met de geschiedenis van Pieter Spa die het kroningsfeest van koningin Victoria in Londen wil bijwonen (“hij neemt de verkeerde stoomboot en komt in Frankrijk terecht - een komische vertoning”) en met vogels die een man mee de lucht intrekken. Daarnaast zijn er afbeeldingen die kinderen angst inboezemen, zoals die van tijgers en wolven. Het repertoire omvat veel komische scènes zoals het leven van Jan Klaassen en een aantal bewegende plaatjes.

De schrijver Jacob van Lennep beschrijft in 1857 wat hij zich herinnert van het optreden door lantaarnist Laurens, een artiest die omstreeks 1810 in en rond Amsterdam kindervoorstellingen gaf:
"Laurens draaide aan het begin van een voorstelling aan zijn lier. De kinderen moesten op die muziek dansen. Daarna spande hij een tafellaken tegen een wand en zette de tooverlantaarn daar recht tegenover op een tafel. Hij stak in de lantaarn de vetkaars aan. De kaarsen in de kamer werden gedoofd. De voorstelling kan beginnen: de lantaarnist houdt voor een ademloos kinderpubliek een soort proloog over de toverlantaarn. Hij ondersteunt de vertoonde plaatjes met verhalen: bijbelse taferelen, Adam en Eva in het Paradijs, de Ark van Noach, het verhaal van de verloren zoon. Ook vertoont hij plaatjes van Jan Klaassen en diens kinderen, over militairen, over de eendjes die in het water zwemmen en over mijnheer Augustijn. Laurens eindigde altijd met het verhaal over de bakkersvrouw die tijdens een gevecht de staart van de duivel uittrekt”.

Jaarlijkse kermis

De jaarlijkse kermis is in de 19e eeuw een belangrijke maatschappelijke gebeurtenis – een combinatie van informatie, vermaak, verbazing en sensatie. Allerlei kunstenaars en kunstenmakers vertonen een mengeling van amusement, kunst, techniek en wetenschap. De straatzanger illustreert zijn liederen met zelfgeschilderde illustraties op ‘smart-lappen’. Vertoners van allerlei kijkvermaak gebruiken beelden om hun verhaal te ondersteunen. Zo kan men genieten van allerlei optische vertoningen: de rarekiek: met behulp van een vergrotende lens zag men perspectivische prenten, de camera obscura, het panorama, het diorama en de toverlantaarn. En dan is er nog het schimmentheater waar de lantaarn dient om een achtergrond te projecteren.  In de lantaarnvoorstellingen krijgt men informatie over bijvoorbeeld historische taferelen, bijbelse voorstellingen, nieuws uit binnen- en buitenland, verre landen, humoristische beweegbare platen met visuele grappen en chromatropen.

Dit gebeurt ook tijdens de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1895. In de ochtendeditie van 19 augustus staat in Het Handelsblad:

Vanaf 16 augustus werden er nogmaals vertoningen op een gespannen doek gegeven … Daar is nu weder ene gants nieuwe aantreckelyckheid gekoomen, seer bequaem om het Publieck eene eerlycke Verlustinghe toe te brengen. In de twee huyskes… wert nu dagelyks de Reuzen Tooverlantaern vertoont, ghelyck deselve verbetert geïnventeert is van den groten Edison.

Men siet daer de praghtighste gesighten uyt ons lieve Vaderlandt, als oock syne const schatten, afbeeldinghen uyt het oude Amstelredam; oock lantschappen met wisselingh van Dagh ende Naght, seer wonderbaerluck om te sien … connen veeelen dienstigh syn tot Leeringhe dewyl men daer sittende, evenwel eene Reyse maekt door geheel tot tot nogh toe bekende werelt …

Opvoeding

In het midden van de 19e eeuw krijgt de toverlantaarn een grotere rol in de opvoeding van het volk. Er komen stichtingen die de lantaarn gaan gebruiken om de moraal hoog te houden. De bezoeker van zo’n lantaarnvoorstelling krijgt een keur aan godvruchtige en deugdzame series voorgeschoteld. Dominees en priesters die niet zo goed uit hun woorden komen, geven in hun kerk preken met lichtbeelden. Veel van de bijbelse verhalen worden op glazen platen overgebracht.

Doordat het mogelijk wordt series platen met fotografische afbeeldingen te produceren ligt een realistischer presentatie binnen handbereik. Tussen 1870 en 1910 komt daar nog een nieuw soort plaatjesseries bij: acteurs beelden een verhaal uit dat wordt gefotografeerd in een natuurlijke omgeving, of in de decorstukken van een studio. In deze zogenaamde life model series gaat het veelal om verhalen over de gevaren van alcohol, drankmisbruik, werkeloosheid en andere sociale wantoestanden.

 
'Hope On', serie life model-platen gemaakt door Bamforth & Co.

Ook zijn er vele life model series gemaakt bij allerlei bekende liederen en ook wel bij religieuze songs die in kerken werden voorgedragen en meegezongen. De bekendste producenten van deze speciale series zijn de firma’s Bamforth & Co. en York & Son. Zij maken gebruik van acteurs (plaatselijke amateurs dan wel familieleden van de fotograaf) die worden gefotografeerd in nogal primitieve geschilderde decors. Decors en decorstukken worden vele malen gebruikt in steeds andere verhalen. De foto’s worden in grote hoeveelheden op glas uitgebracht, waarbij de zwart witte fotoafbeeldingen dikwijls met de hand worden ingekleurd.

Door de grotere kwaliteit van de toverlantaarns wordt de lantaarn steeds meer gebruikt in het onderwijs en voor lezingen. Dat begint eind 19e eeuw en zet zich voort tot aan de Tweede Wereldoorlog. De catalogi van uit die tijd vermelden honderden series platen over talloze onderwerpen en voor bijna alle schoolvakken.

Veel van de lantaarnisten die in ons land optraden kwamen uit het buitenland, uit België, Duitsland en Frankrijk. Rondtrekkende lantaarnisten uit Belgie werden soms 'Luikerwalen' genoemd vanwege hun geboortegrond Luik in Wallonië. Een bekende Nederlandse lantaarnist was de kermisexploitant Freark Bakkerus. ’s Zomers trok hij met zijn ‘Kunstkabinet’ van kermis naar kermis. Daarin vertoonde hij onder andere stereoscopische afbeeldingen. In de periode 1890-1930 trok hij  ’s winters rond om lantaarnvoorstellingen te geven in cafés en andere zaaltjes.

Een lantaarnprogramma van Bakkerus uit 1908 is bewaard gebleven. De voorstelling werd geopend met het laatste nieuws: De aardbeving in Zuid-Italië en Verschrikkelijke mijnramp te Ham en Spoorwegongeluk te Contich  in België. Daarna vermeldde het programma: De monniken en honden van de St. Bernhard, De twee vroolijke maandaghouders (‘lachsucces’), Robert de brandweerman of het leven van de Rode Brigade, Het leven in de achterbuurten van Londen (“prachtvol”), Reizen door verschillende werelddelen, De laatste Noordpoolexpeditie, Onverwachte ontmoeting (“lachsucces”), De gevaren op zee en De wraak van de aap (“zeer komisch”).

Bakkerus werd tijdens de lantaarnvoorstellingen vergezeld door zijn neef Peter Bonnet die later in Sloten (Fr.) het toverlantaarnmuseum ‘Laterna Magica’ opzette. Dit museum bestaat nog steeds onder de naam Stedhûs Sleat. Het bevat een van de grootste collecties lantaarns en lantaarnplaten in ons land.
 
Lantaarnverkoop en verhuur

Een aantal fotozaken richt zich tussen 1870 en 1920 op de toverlantaarn en op de verkoop of verhuur van lantaarnplaten. Bekende voorbeelden daarvan zijn Zwartser in Haarlem, Van Senus in Rotterdam, Merkelbach in Amsterdam, Van Krefeld in Amsterdam, Charles Grabal in Maastricht en C.A.P.I. in vier steden (Nijmegen, Den Haag, Groningen en Amsterdam).

CAPI werd opgericht door C.A.P. Ivens, de vader van cineast Joris Ivens. Zijn firma produceert in de jaren 1900-1925 tenminste veertig catalogi van projectielantaarns en daarnaast nog diverse projectiehandboekjes. Daarin staan overwegend Duitse en Engelse (series) platen vermeld. Toch verkoopt men ook wel in ons land gemaakte series: foto’s van het koninklijk huis (o.a. de kroning van Wilhelmina in 1898), platen van de glasschilder Van Staveren uit Gouda (zie een voorbeeld hieronder), fotografische plaatjes van Nederlands Indië, de bekende blauwe doosjes met City-series, de serie Ons Vaderland in Lichtbeeld: d.w.z. stadsgezichten, klederdrachten en volkstypen uit eigen land (“ook zeer geschikt voor propaganda voor Nederland in den vreemde”) en niet te vergeten: lantaarnplaatjes voor Moeder- en bakercursussen.

CAPI adverteert in die tijd met: "wij belasten ons in geheel Nederland met het leveren van projecties ( met kalklicht, elektrisch licht enzovoorts) voor lezingen, voordrachten met lichtbeelden enzovoorts waarbij de lezer of voordrager zelf de plaatjes heeft. Wij zorgen voor technische bediening der lantaarn en ook voor het projectiescherm. Men kent een werker aan zijn gereedschap… Wij verhuren ook lantaarns en handleidingen aan personen waarvan ons bekend is, dat zij daarmede om kunnen gaan”.

Naast CAPI is Merkelbach in Amsterdam een grote Nederlandse firma die lantaarnvoorstellingen mogelijk maakt. In Prijscourant nr. 1 uit 1911 schrijft Merkelbach:
Teneinde aan veler verlangen te voldoen, geven wij Voorstellingen met onze Dissolving Views en Byoscope op partijen, schoolfeesten en dergelijke. Ook belasten wij ons met het projecteeren van Lichtbeelden bij lezingen en anderszins. Het honorarium voor eene voorstelling met Dissolving Views is f. 25, --, terwijl voor eene voorstelling met de Byoscope f. 60,-- wordt berekend.

In de jaren ’80 van de 19e eeuw levert de firma Merkelbach een toverlantaarn aan de koninklijke familie. Plaatjes voor de jonge prinses Wilhelmina worden regelmatig geruild.
  
Representatieve serie toverlantaarnplaten over een arme krantenjongen, gemaakt door Merkelbach & Co. Amsterdam, 8,2 x 8,2 cm vierkant. Ik interpreteer het verhaal als volgt: Het is midden in de winter. De arme krantenjongen ontmoet op straat een heer die een arts blijkt te zijn. De jongen gaat naar het spreekuur van de dokter en vraagt hem om hulp, in ruil voor zijn jas. Zijn broer is namelijk ernstig ziek. De dokter bezoekt de zieke broer; hopelijk heeft hij de jas van de jongen niet geaccepteerd.

Lezingen met lichtbeelden


Tussen 1870 en 1940 komen er in diverse Nederlandse steden uitleencentrales van lantaarnplaten, de zogenaamde lichtbeeldendiensten. Bekende voorbeelden daarvan: de Apeldoornsche Lichtbeeldendienst, de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, de Lichtbeelden Vereniging, het Lichtbeelden Instituut, het Centraal Projectie Instituut en de Lichtbeeldendienst D. van Kreveld in Amsterdam. Men verhuurt er niet alleen lantaarns en lantaarnplaten, maar ook de bij de series horende tekstboekjes.

De opkomst van de cinematografie, vanaf ongeveer 1900, leidt tot verdwijning van de magische toverlantaarnvoorstellingen. Het via de lantaarn oproepen van illusies, het tonen van zaken waar geen verklaring voor bestond is al gauw voorbehouden aan de filmprojectie.

In Nederland wordt de toverlantaarn tot aan de Tweede Wereldoorlog nog veel gebruikt. Maar steeds minder voor het amuserende en informerende magische totaalprogramma en steeds meer voor lezingen met lichtbeelden over wetenschap, verre reizen, landen en volken en ook over actuele gebeurtenissen. De toverlantaarn heeft dan nog de functie van projectielantaarn.

In een brief van het Centraal Bureau voor Lantaarnplaten uit 1932 staat: “… wij vervullen zoowat de rol van ‘Openbare Leeszaal’ in lantaarnplaten voor ons hele land … het gebruik dat van de collectie gemaakt wordt is groot …”  Het jaarverslag 1933 vermeldt: “… beschikken over een collectie van circa 50.000 lichtbeelden die uitgeleend worden voor onderwijs in den ruimsten zin des woords en voor sociale doeleinden …”

De Historische Werkgroep Heerenveen heeft op verzoek van de auteur van dit artikel onderzoek gedaan naar beschrijvingen van lantaarnvoorstellingen in enkele kranten in de provincie Friesland in de periode 1893-1910. Ook komen we daarin het Leger des Heils tegen: de enige organisatie in deze periode die in lantaarnvoorstellingen verhalen met een boodschap (evangelieverkondiging, alcoholmisbruik) vermengt met profane (veelal humoristische) verhalen, met fotoseries en beweegbare platen. De Werkgroep Heerenveen vond ook een groot aantal aankondigingen en verslagen van andere toverlantaarnbijeenkomsten in de provincie Friesland. Daarbij gaat het vooral om lezingen met lichtbeelden.

Organisaties en individuen met een one issue doelstelling organiseerden bijeenkomsten waarin vooral de lichtbeelden publiek moesten trekken. Voorbeelden uit de periode 1893 – 1910:
  • evangelisten die met behulp van lichtbeelden het Evangelie wilden verbreiden
  • bestrijding van alcoholmisbruik, propaganda voor geheelonthouding
  • reizigers die verslag deden van hun verblijf in verre landen (Canada, Afrika, Parijs, Californië, Atjeh, Londen
  • diverse medische onderwerpen, zoals de bestrijding van tuberculose
  • invoering van een staatspensioen: een eisch van recht
  • Passiespelen in Ober-Ammergau
  • zeewering en het ontstaan van dijkdoorbraken

Een uniek voorbeeld van het gebruik van de lantaarn om het publieke debat te beïnvloeden was de zaak Hogerhuis: een actie in 1900 om drie onschuldig veroordeelde broers vrij te krijgen. De drie kregen zeer zware straffen (6, 11 en 12 jaar) wegens een vermeende inbraak en poging tot doodslag. Hun veroordeling moest als voorbeeld werken. De straffen waren bedoeld om de socialistische beweging in diskrediet te brengen. In 1900 werd een serie protestbijeenkomsten met lichtbeelden gehouden om de drie broers vrij te krijgen. Men kondigde die aan met: “Groote Openbare Vergaderingen met Lichtbeelden voor de zaak der onschuldig veroordeelde gebroeders Hogerhuis”. De geprojecteerde beelden ondersteunden de actie voor de invrijheidsstelling van de drie veroordeelden. Zonder succes overigens. De drie onschuldige broers kwamen niet vrij.

De toverlantaarn nu

Een van grootste verzamelingen van ons land is ondergebracht in museum Stedhûs Sleat in het Friese stadje Sloten. De collectie van Peter Bonnet wordt daar sinds enkele jaren getoond in een sublieme eigentijdse presentatie.


Andere vindplaatsen van lantaarns en/of lantaarnplaten in ons land: het Filmmuseum in Amsterdam, het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, diverse speelgoedmusea, Museum Boerhaave in Leiden en het Prentenkabinet van de Rijksuniversiteit Leiden.

Op internet zijn heel wat boeiende sites over de toverlantaarn te vinden. In Nederland is de toverlantaarn site 'de Luikerwaal', www.luikerwaal.com, een absolute aanrader voor ieder die meer wil weten over de toverlantaarn.

In Nederland zijn zeven lantaarnisten en verzamelaars lid van de Magic Lantern Society, een Engelse vereniging. Ook zij geven regelmatig lantaarnvoorstellingen. De auteur van dit artikel is een van hen.
 

 
  English version......  Wat is er nieuw op de site? ©1997-2017 'de Luikerwaal'
Alle rechten voorbehouden.
Bijgewerkt tot 02-08-2017.
Naar bovenrand pagina......